De indoctrinatie tegen migranten, van Nederland tot Tunesië
Een Nederlands-Tunesische auteur trekt parallellen tussen de behandeling van migranten in Tunesië en Nederland, en stelt dat selectieve verontwaardiging en politieke ophitsing in beide landen dezelfde dynamiek van ontmenselijking voeden.
Op een bewolkte maandag in mei dacht ik aan Sfax en aan Loosdrecht. Aan hoe selectieve verontwaardiging werkt. Als iemand die in Tunesië is geboren en daar zijn wortels heeft, en nu in Nederland woont, zie ik die patronen van dichtbij aan twee kanten van de Middellandse Zee terug.
Ik schreef over de vernedering en mishandeling van Afrikanen uit Sub-Sahara Afrika in Tunesië. Iemand reageerde met een video waarin inwoners van Sfax klaagden over diefstal en geweld door migranten. Dat begrijp ik. Wanhoop leidt tot reacties die niemand wil goedpraten. Maar begrip voor frustratie is iets anders dan het legitimeren van collectieve ontmenselijking.
Wat mij vooral treft, is de hypocrisie. In Tunesië klinkt die uit monden die zich beroepen op religie en moraal. Een imam kan met een brok in de keel vertellen over Bilal ibn Rabah — de zwarte slaaf in Mekka die onder de brandende woestijnzon werd gelegd, met een zware steen op zijn borst, om hem te breken. Maar hij brak niet. Hij fluisterde slechts één woord: Aḥad… Aḥad… Eén God. Eén waarheid. Eén waardigheid. Hij werd vrijgelaten en werd de eerste muezzin van de islam — de stem die de oproep tot gebed deed. Zijn verhaal staat symbool voor standvastigheid, verzet en radicale gelijkheid.
Maar over de zwarte Afrikanen die vandaag in Tunesië worden vernederd, opgejaagd en in de woestijn achtergelaten, blijft het stil. De geschiedenis wordt geëerd, de levende mens genegeerd. En toch is dit geen Tunesisch probleem alleen. In Nederland zie ik dezelfde dubbele moraal. De burger die online pleit voor vluchtelingenrechten, maar zich verzet zodra opvang in zijn eigen buurt komt. De stemmen die spreken over 'Europese waarden', maar tegelijk beleid steunen dat mensen buiten de deur houdt via deals met regimes die deze waarden dagelijks schenden.
De retoriek verschilt, maar de logica niet. In Tunesië spreekt men over complotten die de demografie zouden veranderen. In Nederland horen we varianten daarvan in andere woorden. Altijd hetzelfde frame: de ander komt om te nemen wat van ons is. Angst wordt politiek kapitaal.
Wat zelden wordt benoemd, is dat Tunesië niet toevallig is uitgegroeid tot een verzamelplaats voor migranten. Het is mede het resultaat van Europees beleid. Het land fungeert als buffer, als wachtkamer aan de rand van Europa. De oversteek wordt tegengehouden, maar mensen verdwijnen niet. Ze blijven hangen in een juridisch en sociaal niemandsland, kwetsbaar en rechteloos.
De rekening wordt betaald door dezelfde groep als altijd: de armste en meest rechteloze mens. De Afrikaan die leeft met de nasleep van koloniale verhoudingen. Wanneer hij blijft, is hij een probleem. Wanneer hij vertrekt, een indringer. Wanneer hij zichtbaar wordt, een dreiging.
De dynamiek is overal dezelfde: politieke ophitsing voedt angst, angst legitimeert hard beleid, en dat beleid creëert slachtoffers die vervolgens worden gebruikt als bewijs dat de angst terecht was. Ook Nederland kent momenten waarop die cirkel zichtbaar wordt. Geweld tegen asielopvanglocaties — zoals in Loosdrecht — is daar een voorbeeld van. Dat is geen protest, maar doelbewuste intimidatie en in sommige gevallen terreur.
Mijn betrokkenheid is niet theoretisch. Ik werkte in vaste dienst bij het COA, gedreven door menselijkheid en het idee dat opvang een morele verantwoordelijkheid is. Totdat het beleid onder Rita Verdonk die menselijkheid begon te ondermijnen. Wat van ons werd gevraagd, kon ik niet langer rijmen met mijn geweten. Ik nam ontslag. Niet uit gemak, maar uit protest tegen wat ik zag gebeuren.
Die keuze draag ik nog steeds met me mee. Maar de hypocrisie die mij vandaag het meest raakt, kwam niet uit Europa. Ze kwam uit Sfax.