Theater Flint en de grens van het politiek fatsoen
Een opiniestuk over Theater Flint in Amersfoort en de vraag waar de grens ligt van politieke standpuntneming door publiek gefinancierde instellingen — naar aanleiding van de boycot van Israëlische culturele partners.
Soms legt een lokaal conflict iets bloot wat veel groter is dan de gebeurtenis zelf. Dat lijkt nu te gebeuren in Amersfoort. Wat begon als een discussie over Theater Flint en de boycot van Israëlische instellingen gaat inmiddels over een principiële vraag: hoe ver mag een publieke instelling gaan in het uitdragen van politieke standpunten?
Die vraag kwam nadrukkelijk op tafel na een brandbrief van de organisatie Opstaan tegen Antisemitisme aan de Raad van Toezicht van Flint. De kern van het bezwaar was eenvoudig. Een theater dat met gemeenschapsgeld wordt gefinancierd, is er voor de hele stad. Het is geen actiegroep, geen politieke beweging en geen verlengstuk van buitenlands beleid. Juist daarom roept een boycot door een openbaar theater zoveel vragen op. Een theater hoort bij uitstek de plek te zijn waar de complexiteit van de menselijke ervaring wordt getoond, niet een loket waar morele paspoorten worden gecontroleerd.
Flint verdedigde zijn keuze door te stellen dat het geen personen uitsluit, maar alleen instellingen. Dat klinkt op het eerste gezicht redelijk. Een instelling is immers geen individu. Een theater dat niet met een bepaalde organisatie wil samenwerken, verbiedt niet automatisch een kunstenaar om op te treden.
Maar daar begint ook het probleem.
Kunst wordt niet gemaakt door gebouwen, logo's of briefpapier. Kunst wordt gemaakt door mensen. Achter iedere culturele instelling staan schrijvers, muzikanten, acteurs, regisseurs, technici en producenten. Wie een instelling uitsluit, raakt uiteindelijk ook de mensen die daar werken. Het idee dat een instelling kan worden getroffen zonder gevolgen voor de kunstenaars die eraan verbonden zijn, klinkt logisch op papier, maar is in de praktijk nauwelijks vol te houden. Het is een bureaucratische fictie om te geloven dat je de structuur kunt straffen zonder de mens te raken die binnen die structuur ademt, creëert en leeft.
Daarmee komen we bij een belangrijkere vraag. Wat is eigenlijk de taak van een publiek theater?
De discussie gaat niet over de vraag of mensen verschillend mogen denken over geopolitieke brandhaarden. Natuurlijk mogen zij dat. In een vrije samenleving bestaan uiteenlopende overtuigingen naast elkaar. De vraag is iets anders. Moet een theater dat door alle inwoners wordt betaald zich bezighouden met het beoordelen van internationale conflicten?
Een theater heeft een bijzondere plek in de samenleving. Het brengt mensen samen die vaak heel verschillend naar de wereld kijken. Op een willekeurige avond zitten er mensen in de zaal die het over politiek totaal oneens zijn, maar die wel dezelfde voorstelling bezoeken. Juist daarin schuilt de kracht van cultuur. Zij verbindt mensen die elkaar buiten de theaterzaal misschien nooit zouden ontmoeten. Dit publieke draagvlak is het fundament onder iedere gesubsidieerde instelling.
Dat betekent niet dat kunst neutraal moet zijn. Integendeel. Kunst mag provoceren, uitdagen en confronteren. Een theater moet ruimte bieden aan scherpe meningen en ongemakkelijke gesprekken. Maar dat is iets anders dan zelf politieke grenzen gaan trekken. Een theater mag een podium zijn voor debat. Het moet niet zelf bepalen wie op grond van politieke of nationale kenmerken buiten de deur blijft.